Josephine wordt volgens de regel nog maar net katholiek: haar doop is met Pasen. Maar het geloof speelt al heel lang een rol in haar leven. Zoals Josephine het zelf samenvat: “Het geloof heeft altijd naast me gelopen, maar met mijn doop is het alsof het vanaf nu voor altijd met me meeloopt.”
Pastoor als voorbeeld
Josephine verhuisde als kind naar Limburg, naar een plek waar zij en haar gezin als buitenstaanders werden behandeld. “Wij waren ‘de ander’, de ‘rare mensen’. Maar meneer pastoor was de enige die ons niet zo zag. Hij vertelde mij veel over het geloof, en droeg uit dat iedereen een kind van God is: iedereen verdient respect en liefde. Daardoor voelde de liefde van het geloof voor mij heel echt: ik werd onvoorwaardelijk als een waardig mens beschouwt in een periode waar dat niet vanzelfsprekend was,” vertelt ze.
God heeft Zich zo met tussenpozen altijd in Josephines leven laten zien. Soms met wat kleinere gebaren, soms in hele grote. Maar deze man van God is de belangrijkste reden dat Josephine besloot zich te laten dopen. Helaas overleed hij enkele maanden voor haar doop. “Ik had dolgraag gezien dat hij mijn doop had meegemaakt. Hij stierf op Driekoningen. Daaraan hecht ik een symbolische waarde. Het is een belangrijke dag in het kerkelijk jaar, waarop geschenken centraal staan. Hij heeft mij zoveel geschenken gegeven, dat het kloppend lijkt dat hij op die dag is gestorven. En zo gebeuren er steeds opnieuw dingen in mijn leven waarbij ik niet anders kan dan denken dat ik door God wordt gedragen,” zegt Josephine.
Bloedverwantschap met het geloof
Josephine heeft zich uitgebreid voorbereid op haar doop. Ze volgt een bijbelcursus, gaat regelmatig naar de mis en wil graag meer weten over allerlei heiligen en verhalen uit de Bijbel. Ze ziet in die voorbereiding veel zaken gebeuren die voor haar bewijzen dat het geloof een mooie verrijking is in het leven. Zo leerde ze over Jozef, en daarmee ook wat het woord ‘familieband’ in kan houden. “Je hoeft geen bloedverwant te zijn van iemand om een bepaalde familierol te vervullen. Jozef was geen bloedverwant van Jezus, maar werkte hard om een goed vaderfiguur voor Hem te zijn,” licht Josephine toe. “Dat raakte mij diep, omdat ik iets soortgelijks ook ervaar binnen het geloof en de geloofsgemeenschap. Je hoeft geen bloedverwant te zijn om iets voor anderen te kunnen betekenen. Daarvoor hoef je alleen maar om mensen te geven.”
Stabiliteit in universele liefde
Josephine vindt ook naastenliefde in de gemeenschap van de Sint-Cathrien. “Iedereen heeft respect voor elkaar, luistert naar elkaar en is er voor elkaar in moeilijke tijden. Dat geeft een zekere stabiliteit in een universele liefde die ik niet eerder heb ervaren. Daarom vind ik het vreselijk dat ik me soms moet verantwoorden en zelfs verdedigen omdat ik gelovig ben en naar de kerk ga. Ik heb het zo vaak gehoord: ‘maar keur jij het misbruik in de kerk dan goed?’, ‘Jij bent een slimme meid, wat laat je je jezelf daar wijsmaken?’ en ‘Wat valt er voor jou nou uit het geloof te halen?’ Zo wordt de kerk geschetst als iets heel overbodigs en naars. Natúúrlijk keur ik het misbruik niet goed, alsjeblieft zeg! En wat ik uit het geloof haal is simpel: naastenliefde, het vermogen om persoonlijk kunnen te groeien en de aanwezigheid van een gemeenschap die om mij geeft. Maar dat begrijpen mensen niet, omdat ze vaak een heel zwartwit beeld van de kerk hebben. Dat is op zichzelf niet kwalijk, totdat ze erover gaan oordelen zonder dat ze het totaalplaatje begrijpen van wat geloof en de bijbehorende gemeenschapszin óók kunnen geven. Want ik weet zeker dat ze zulke dingen niet zouden zeggen als ze wisten dat een geloofsgemeenschap zoals die van ons het gevoel van eenzaamheid kan wegnemen waar zoveel mensen tegenwoordig mee te maken hebben."
‘Ik’ en ‘wij allemaal’
Josephine kijkt vanwege haar verdieping in haar geloof op een troostende manier naar een groter geheel als het gaat om verdriet en lijden. “Het is verleidelijk om te denken ‘waarom ik?’ als je heftige dingen hebt meegemaakt of als je iets naars overkomt. Maar ik besef steeds meer dat iederéén in zekere mate trauma’s meedraagt of ergens mee worstelt. Ieder huisje heeft zijn kruisje, zoals het gezegde luidt. En dat weet iedereen op een oppervlakkige manier wel, maar ik zie het steeds meer als een uitnodiging om dat in mijn voordeel te gebruiken. Dan is het niet langer: ‘waarom ik?’ maar ‘dat zijn of hebben we allemaal,’ Ik ben onderdeel van een groter geheel. In het leven, maar ook binnen een groep mensen. Als je de connectie die dat geeft omarmt, zijn er eindeloos veel manieren om te geloven, te vertrouwen en liefde te kunnen geven.”

